Zonk

Er was eens een man met te veel gedachten. Hij had zoveel gedachten dat hij niet wist wat hij ermee moest. Hij stapelde ze op tot zijn hoofd bijna uit elkaar barstte. Daarna vergat hij ze door zo hard te werken als hij kon. Maar aan het einde van de dag, als de man opkeek van zijn werk en zag dat hij de enige in het kantoor was, werden de gedachten wakker en dansten, vochten, schreeuwden zo hard dat hij er gek van werd.

Op een avond toen hij van zijn werk naar huis reed, vochten de gedachten zo wild dat hij per ongeluk de verkeerde afslag nam. De vreemde weg leidde hem door een dichtbegroeid bos naar een meer. Het lag daar zomaar: rond en stil. De bomen hielden alle wind tegen zodat er geen rimpel over het water trok.

De man stapte uit zijn auto en liep naar de rand van het meer. Toen hij omlaag keek, zag hij zichzelf ondersteboven terugkijken. Hij bukte zich en legde een hand op de wang van zijn evenbeeld. De spiegel verrimpelde bij zijn aanraking, maar hij tilde zijn hand niet op. Het water was koel en zacht. Het riep hem.

Hij trok zijn schoenen uit, zijn grijze pak en stapte naakt het meer in. Kringen verspreidden zich van zijn lichaam tot aan de overkant. De man dacht niet na bij wat hij deed, dat kon niet: zijn hoofd zat zo vol dat er geen gedachte meer bij paste.

Hij liep door tot hij bijna niet meer kon staan. De zon ging langzaam onder en de lucht boven hem had alle kleuren van oranje tot paars. De bomen om hem heen versmolten tot een dichte, zwarte massa. Hij draaide zich op zijn rug, sloot zijn ogen en dreef. Hoe lang hij in het water lag, kon hij niet zeggen, maar toen hij wakker werd was zijn hoofd leeg.

De volgende dag op zijn werk was de man jong en nieuw. Hij was vergeten hoe het was om gewoon zijn computer aan te zetten, zonder het gevoel te hebben dat hij een betonblok moest wegduwen. De berg papierwerk leek daadwerkelijk te krimpen toen hij eraan begon. Er kwamen wel gedachten bij, maar niet zoveel en er was genoeg plek.

Alleen verdwenen de nieuwe gedachten niet. De man stapelde ze op en na een paar weken stond hij ineens weer aan het meer. Hij twijfelde niet, trok meteen zijn kleren uit en gleed het water in. Deze keer hield hij zijn ogen open en terwijl de avondlucht boven hem van kleur veranderde, voelde hij de gedachten een voor een uit zijn hoofd zinken. Toen hij weer op het droge stond ademde hij in en uit en in en uit. Alsof het niets was.

Vanaf toen ging hij om de paar weken terug. Elke keer dwarrelden de gedachten uit zijn hoofd. Ze bleven liggen op de bodem, sidderend, maar te zwak om weer naar boven te zwemmen. Hij bleef gaan, ook toen de winter dichterbij kwam en het water kouder werd. Pas toen er een laag ijs lag, gaf hij op en bleef aan de oever.

De winter duurde kort in verhouding tot andere jaren, maar niet voor de man. Hij werkte harder dan ooit om zijn gedachten niet te horen. Maar hoe langer zijn dagen, hoe erger het schreeuwen en dansen in zijn hoofd op momenten van stilte.

Zodra de sneeuwklokjes zich door de vorstgrond hadden geworsteld reed de man naar het meer. De kou prikte in zijn huid en verstijfde zijn tenen, maar het water slokte hem gulzig op. Zodra zijn hoofd het oppervlakte raakte, liep hij leeg.

Op de bodem van het meer lagen de oude gedachten te slapen. De hele winter hadden ze nauwelijks kunnen bewegen, maar de nieuwe gedachten maakten ze wakker. Ze krioelden om elkaar heen en veranderden de bodem van het meer in een wolk van opstuivende modder.

Ze worstelden heviger en heviger en schoten toen ineens omhoog, naar het lichaam van de man. Ze grepen zijn borst en benen vast. De man probeerde zich los te rukken, maar het lukte niet. De gedachten klampten zich aan hem vast. Zwart en scherp voelden ze, net als toen ze nog in zijn hoofd zaten. Hij greep wild met zijn armen om zich heen, maar het enige wat zijn handen vonden was een eikenblad. Zonder dat hij het doorhad, greep hij het vast. Daarna kon hij nog net een hap lucht nemen voor hij onder water werd getrokken.

De kou, die net nog welkom tintelde, stak ineens dwars door zijn longen heen. De man zag niks, de gedachten waren overal. Hij kon geen grip op te krijgen, hoe hard hij ook worstelde.  Ze dwarrelden om hem heen, te snel, te luid om van elkaar te onderscheiden.

Hij drukte zijn handen tegen zijn oren om ze niet te hoeven horen en voelde toen, tussen zijn handpalm en zijn wang, ineens het eikenblad. Hij zag voor zich hoe het blad de hele herfst en winter lang zijn broers en zussen naar beneden had zien vallen, tot hij de enig was die nog hing. Hij hield vol, tot het laatste, juiste moment.

Het blad prikte een beetje, de man kalmeerde. Hij liet de gedachten wervelen terwijl hij steeds dieper zonk. Hij wachtte tot hij de bodem in zijn rug voelde en zette zich af. Met de laatste kracht die hij in zich had, zwom hij naar het oppervlakte.

De gedachten bleven achter.

De man die zichzelf aan land sleepte was hol. Een leeggezogen eierschaal. Hoe hij thuiskwam, kon hij zich later niet meer herinneren. Hij werd zo ziek dat hij een week niet kon werken.

Zodra hij zich beter voelde, liet hij het eikenblad inlijsten. De lijst zette hij op zijn bureau. Hij keek er vaak naar voor een functioneringsgesprek of als een van zijn collega’s opschepte over kwartaalcijfers of een nieuwe schaalverhoging.

Bij het meer bleef hij weg.

De man had gehoopt dat het zinken iets fundamenteels zouden veranderen, maar het was zo makkelijk om zich mee te laten voeren. De dagen volgden elkaar op zoals ze altijd hadden gedaan en zijn hoofd werd voller en voller. Na een half jaar keek hij naar het eikenblad en zag niks. Alleen een klein, bruin blaadje in een veel te dure lijst.

Dat was vlak voor de regen begon.

Niemand had de regen voorspeld, het kwam gewoon. Met zoveel geweld dat het leek alsof iemand met een mes een gat uit de hemel had gesneden zodat alle regen die ooit zou vallen in één keer naar beneden stortte. De man vouwde zijn handen tot een kom en stak ze door het raam van zijn kantoor naar buiten. Binnen een minuut was het tot de rand gevuld.

Hij haalde zijn handen weer naar binnen en keek naar het water, hoe het steeds langzamer schommelde en toen stil kwam te liggen. Een golf van verlangen spoelde over hem heen. Hij boog zich voorover en drukte zijn gezicht in zijn handen. Het water viel op de grond, liep in straaltjes langs zijn nek, zijn pak in. Snel ging hij weer rechtop staan en keek om zich heen of iemand hem gezien had.

De dag dat het eindelijk stopte met regenen, keek de man uit het raam en zag dat de onderkant van de wereld was afgeknipt. Putten konden het water niet afvoeren, rivieren waren buiten hun oevers getreden en dus lag het stil, in de straten. Alleen de bovenkanten van huizen en bomen bleven zichtbaar.

De man schreeuwde, wou dat hij het eikenblad tegen zijn wang kon drukken. Maar de lijst stond op zijn bureau, en tussen hem en het bureau lag het water.

Hij bedaarde wat en keek om zich heen. Hier kon hij ook niet blijven, in dit huis zonder onderkant. Er zat niks anders op. Hij kleedde zich aan en bond zijn koffer met een stropdas aan zijn enkel. Daarna opende hij het raam van zijn slaapkamer en liet zich naar buiten zakken. Het water was koel en zacht, net als de eerste keer in het meer. Hij durfde zijn hoofd niet onder water te houden, dus zwom hij voorzichtig. Het ging redelijk, slechts af en toe nam een golf een gedachte van hem mee.

Hij bereikte zijn kantoor en deed wat hij moest doen. Toen hij die avond weer thuis was en zijn pak te drogen hing, had hij al vrede gesloten met de nieuwe situatie.

Dus zwom de man vanaf dat moment elke dag naar zijn werk. Hij probeerde zich tegen het water te verzetten, maar soms gaf hij zich over. Dan draaide hij zich op zijn rug. Eén been zonk iets dieper door het gewicht van de koffer, verder dreef hij. Alleen, terwijl zijn gedachten naar de bodem zonken.

De man dacht dat als hij telkens ergens anders dreef en zijn gedachten steeds op een nieuwe plek achterliet, het vast geen kwaad kon. Of beter nog, dacht hij soms, wat als hij wegzwom. Gewoon vertrok en niet terugkeerde…

Maar ook die gedachte verliet uiteindelijk zijn hoofd, en zonk.

EN | HU | PL | RO