Welkom in de wolken

‘Mijnheer, voor u ook champagne?’ 

‘Nee, dat nu toch niet, mijn liefste! Misschien wel mineraalwater, wat denk je daarvan, hm?’

Een op zijn zachtst gezegd corpulente dame geeft het jongetje naast haar zo´n dreun, dat ze het dondertje van zijn zitje duwt. Het is zo´n mager ventje, zijn neus in de boeken en zichtbaar van de kaart.

‘Zien jullie dat? Hij leest en hij leest alleen maar…Wij zijn op huwelijksreis, weet u, met de bedoeling ook wat aan liefdadigheid te doen. En hij doet niks! Lojzi! Lees toch niet de hele tijd! Ach, wat kunnen we eraan doen – geeft u mij die champagne maar!’

‘Zeker, madame.’ De stewardess gaat snel weg. In het gangpad botst ze op de piloot, die een blik op haar decolleté zelfs niet probeert te verbergen. Hij draalt wat dronken rond en een rake klap heeft geen effect.

‘De laatste controle van de kaartjes voor het opstijgen!’ zal hij over een ogenblik uitroepen als een openbaring. Alle reizigers beginnen snel in hun koffers te rommelen en enkele seconden later klinkt in het vliegtuig een uitroep van schrik:

‘Lojzi, mijn Lojzi! Sta op,…toe maar…de kaartjes!’ Het tenger ventje knippert geschokt met de ogen en met bevende handen diept hij uit zijn broekzak drie kaartjes op. De piloot snelt al naar hem toe.

‘Jaja, mijnheer is drieëndertig, en de dame? Hmm, oké, vierendertig en vijf. Super, we gaan door!’ Waarschijnlijk voor het effect gaat hij toeteren als een locomotief en draait zich gezwind om. Nuchter zou dat normaal gelukt zijn, maar nu sputtert hij en stoot een handtas uit het opbergvak weg. Papieren zakdoekjes dwarrelen op de grond, ergens rolt een brillenkoker weg en in het ontstaan gewoel merkt niemand, dat er iets in het zakje van de piloot zit, dat tot nu toe leeg was.  

De anderen maken ondertussen grapjes rond het thema ‘dame die twee zitjes beslaat’ en als het vliegtuig opstijgt is – zo lijkt het wel – alles zoals het moet zijn. De machine stijgt snel onder controle van de twee piloten en zo nu en dan roept iemand enthousiast, dat hij wolken ziet.

Daarop openen de deuren van de cockpit en een van de twee piloten komt te voorschijn. Zijn uniform zit hem wel heel losjes en hij is even magertjes als het opdondertje Lojzi. In zijn hand heeft hij een schroevendraaier, zijn gezicht toont een ijskoude aanblik en achterop wipt een of andere rugzak op en neer.

‘Mijnheer’ zo spreekt hij een van de reizigers aan. Het gaat hier trouwens over een vrouw.

‘Kunt u zwijgen?’ De aangesprokene knikt enkel, tenslotte heeft de piloot overduidelijk gevraagd, dat ze stil zou moeten zijn.

‘en kunt u ook overweg met een schroevendraaier?’ Ze knikt opnieuw.

‘OK.’ Hij glimlacht eventjes en gaat verder op weg naar het gangpad.

‘Waarde mensen! Roept hij uit. ‘God heeft ons het leven gegeven, zodat we zouden leven. Leeft u, of overleeft u alleen maar?’ Vraagt hij en hij gaat snel verder, terwijl personeel en reizigers verwonderde blikken uitwisselen. ‘Dat was een retorische vraag,’ beklemtoont hij. ‘Hij gaf ons ook benen, zodat we zouden lopen. Vissen gaf hij vinnen om te zwemmen en de vogels vleugels, om te vliegen. En wat deden wij?! Voor ons is het gaan alleen niet genoeg. De mens vond schepen en duikboten uit, en we kunnen varen. En nu zijn we in een vliegtuig. En we vliegen!’

‘Helaas,’ mompelt een of andere jongen en meteen trekt zijn gezicht groen weg. De piloot werpt hem een scherpe blik toe en vervolgt zijn preek.

 ‘We grijpen te veel in in Zijn macht! Maar nu zijn we zo dichtbij Hem…voelt u ook Zijn woede? Ja, ik weet, dat u geurt naar de wijn. Het is nodig om ons te verontschuldigen. Maar wees niet bang – ik ben hier! Ik ben door een zonnestraal gestuurd in de richting van een Boodschapper Gods en binnenkort leg ik uw verontschuldigingen aan hem voor.’ Daarop richt hij zich terug tot de vrouw die hij eerder aansprak. Hoewel in het vliegtuig iedereen zwijgt als een graf en niemand een vin verroert, gaat hij fluisteren.

‘Nu demonteer ik dit raampje en u schroeft het dan terug aan, is dat goed?’ De geschokte vrouw knippert enkel een paar keer met de ogen, wat hij als een ja interpreteert. Hij slaat een kruisteken, schroeft het raampje los, roept uit ‘Leef in vrede, broeders en zusters!’ en springt daarna weg met de uitroep ‘Amen!’ uit het raam.

In het vliegtuig begint direct de luchtdruk te dalen, maar luttele seconden later roert niemand zich. Tot er een kreet door de verdunde lucht snijdt: ‘De druk daalt! Snel snel, doe dan iets! Hey, U, dame, kom op. Ja ja, u, met die schroevendraaier! Vooruit dan, los het op! Lojzi, zeg dan toch iets!’ De dame met de champagne gaat op haar zitje staan en schreeuwt verder, Lojzi mompelt enkel iets en leest verder.

Uiteindelijk herpakt de rest zich ook en een van de stewardessen gaat naar de cockpit om de tweede piloot te informeren. Rond het open raampje gaan de mensen weg en voor een keer neemt niemand dat op als een trucje van de ‘dame die in nood verkeert’. Iedereen begrijpt het en probeert de opening dicht te stoppen met alle mogelijke voorwerpen, tot het hen begint te dagen, dat ze een schroevendraaier hebben. Na een tijdje is het grote gevaar van de baan en de tot die tijd voor elkaar vreemde mensen kletsen gezellig met elkaar en geven elkaar schouderklopjes.

Iedereen keert terug naar hun plek en ze kijken uit naar een rustig verder verloop van hun vlucht. De aangename sfeer werkt zelfs voor Lojzi aanstekelijk en die begint zijn vrouw het verloop van zijn boek uit te leggen, waar hij de hele tijd in verdiept zat. Het blijkt nu, dat die enorme klepper over de Titanic gaat, die momenteel aan het zinken is.    

‘Het is niet te geloven, lieve Berta, maar hij zinkt echt!’ Met vol enthousiasme beschrijft hij de situatie, maar voor de verandering merkt nu zijn vrouw het niet op. Zij rommelt wat in haar handtas, draait enkele zakken binnenstebuiten en terug en rommelt ook wat in de rugzak van haar man. Als zij hierin enkel maar een hoopje boeken kan vinden, begint ze zichtbaar te panikeren.

‘Heb je niet ergens zo een klein flesje gezien? Een bruin, met een wit etiket?’ Vraagt ze aan haar medereizigers. Nog voor ze haar kunnen antwoorden, stormt een stewardess de cockpit uit. Ze heeft een uitdrukking van een antilope die wegrent voor een leeuw. Bijna glijdt ze uit en stopt ze halfweg het gangpad en als ze de verwonderde en wanhopige gezichtsuitdrukkingen rondom haar opmerkt, gaat ze snel zitten – met een glimlach. Vals en krampachtig, maar toch. Ze schraapt even haar keel en steekt nerveus af:

‘In dit vliegtuig zijn we met 170… Volgens de statistieken is elke zeventigste volwassene een arts, verpleegster of iemand met gelijkaardige opleiding. Die cijfers zijn enorm interessant, toch?’ Ze zwijgt plots en wil verder vertellen, tot een of andere jongeman die zijn blik gebiologeerd op zijn mobieltje richtte, haar onderbreekt.

‘Wacht eens even, mevrouw. Ik heb het meteen gegoogled en nu blijkt dat het maar elke vijfenzeventigste volwasene is!’ Hij staart haar aan en ziet er uit als een puppy, die lonkt naar een mals brokje.

‘Jongeman, zou u zo vriendelijk willen zijn, en mejuffrouw de stewardess willen laten uitspreken?’ antwoordt mevrouw Berta chagrijnig.

‘Ja, natuurlijk, ik wilde alleen maar…’

‘Alleen maar?! U hebt gewoon geen greintje respect, mijn beste!’

‘Berta, stel je voor, ze hebben niet genoeg reddingsbootjes…’

‘Hoezo? Ah ja, euh, zeker, lief. En u, mevrouw, u zwijgt maar liever, toch?’

‘Beste mensen, ik vraag uw aandacht’

‘Berta, ze zinken!’

‘Madame, ik wil hier enkel de juiste informatie meegeven, en u…’

‘Stilte, heb ik gezegd! Iedereen stil!’

‘Berta, mijn liefste, ik denk, dat…’

‘Beste mensen, ik verzoek jullie! De stewardess staat op het puntje van een zenuwinzinking, zij roept hysterisch en over een glimlach kan al lang geen sprake meer zijn.

‘De zaken staan er nu zo voor, dat…’ meteen wil ze verdergaan, als nog iemand van het personeel de cockpit uitstormt.

‘We verliezen hoogte, het vliegtuig gaat neerstorten! De piloot is waarschijnlijk dood, ik weet het niet, help! Is hier toevallig geen dokter? Snel, toe maar, alstublieft!’ Iedereen wordt stil, de jongeman met het mobieltje rolt met zijn ogen en zelfs mevrouw Berta staart vol ongeloof. Achteraan in de cabine begint een of andere idioot te lachen en merkt op: ‘Nou, dat had ik toch nooit gedacht, dat dát mens in staat is te zwijgen…’. Direct daarop komen er enkele moordblikken, de andere passagiers verwerken verder in stilte het nieuwtje, dat ze verder moeten zonder piloot. Uiteindelijk verschijnt er een onbekende man die met een bibberende stem aankondigt, dat hij chirurg is. De mensen beginnen overal te fluisteren. Een sprankeltje hoop verandert in een heuse tsoenami. Op dit moment zou Superman zelf geen groter succes kennen, de reizigers staan niet veraf van het enthousiast scanderen en aanmoedigen van de man. 

Als die echter enkele minuten later uit de cockpit terugkeert, vallen van zijn bleek gezicht enkele uitgesproken slechtnieuwsberichten af te lezen.

‘Beste medereizigers,’ gaat hij van start. ‘De zaak zit zo, dat…onze tweede piloot aan een vergiftiging gestorven is. Hij heeft het syrinegif ingenomen. Wat mij betreft een zuivere zelfmoord…Hij heeft ook een bericht achtergelaten.’ Hij moet duidelijk moeite doen, om psychisch niet in elkaar te storten. Met bevende handen vouwt hij het stukje papier open, schraapt de keel en begint te lezen.

‘Ik kon het met die supergelovige idioot niet langer in één ruimte uithouden. Aan de lieve dame die twee zitjes inneemt, bedankt voor het onvrijwillig ter beschikking stellen van het middel om mij uit mijn lijden te verlossen. En u allen, mijn innige deelneming. Ik heb alle motoren uitgeschakeld en het opnieuw in werking stellen verhinderd. Er rest u naar alle waarschijnlijkheid nog dertig minuten van uw leven.’

Iedereen verstomt, enkel de dame in kwestie barst uit in een huilbui. Tussen het snikken door probeert ze de aanwezigheid van het gif bij haar uit te leggen en haar echtgenoot vult haar aan. Nu blijkt, dat het echtpaar zou gaan helpen bij de bosbranden in Australië en Berta had daarbij, als liefhebber van koala´s, besloten om met dit specifieke ongelukkig gebruikte gif alle brandstichters, de onverschillige regering en ook nog enkele luie brandweerlieden te vergiftigen.

 

‘Ze was altijd al zo origineel, zo spitsvondig, zo eigenzinnig…’ legt haar man enthousiast uit. Maar dan onderbreekt een van de reizigers hem: ‘Nou ja, die branden zijn natuurlijk stom, uiteraard, maar wij storten zo een beetje ter aarde neer, beste mensen. Wat gaan we hieraan doen dan, hmm?’

‘Vrouwen en kinderen eerst?’ Stelt Lojzi verlegen voor, in gedachten nog altijd half bij de Titanic.

‘Ik stel voor om de aangerichte schade te proberen in te schatten.’ werpt de chirurg op en meteen steunen enkele stemmen zijn mening. Een weinig later komen van hun plaatsen twee mannen tevoorschijn, beiden elektriciens. Er bevindt zich duidelijk niemand competenter in het vliegtuig, dus verdwijnen zij richting de cockpit. Ondertussen probeert het personeel wat onhandig de aandacht af te leiden en de sfeer van een probleemloze vlucht aan te houden, maar deze hele scene lijkt weggerukt uit een amateurtoneelstuk. Enkele reizigers doen mee met hen en doen alsof alles in orde is, anderen beginnen in het gangpad yoga-oefeningen te doen om te kalmeren, nog enkele anderen zoeken pen en papier om hun testament te schrijven en nog iemand anders kijkt verdwaasd door het raam. En – hoe kan het ook anders – Lojzi leest verder. Zijn vrouw is al hersteld van de eerste schok – en is er nu op gebrand om de zithouding van een hondje in te oefenen.

Wanneer de elektriciens uit de cockpit verschijnen, stappen er nog maar enkelen op hen af. De meeste reizigers hebben zich al neergelegd bij hun lot en proberen hun laatste tiental minuten zo goed mogelijk door te brengen.  En ook wanneer het vliegtuig op en neer beweegt door turbulentie, let zo goed als niemand daar nog op.

Bovendien blijkt, dat een van de passagiers een priester is, en dus is de cockpit veranderd in een voorlopige biechtstoel. Het lijk van de piloot werd weggevoerd naar het achterste deel van de cabine en is neergelegd op een van de zitjes, omdat iedereen bij een stemming ermee akkoord ging, dat de piloot het ook verdient, om ‘opnieuw gedood te worden’ zoals elke meereizende passagier. Ondanks het sombere lot heerst hier een relatief positieve sfeer. Soms kijkt er iemand op de klok en met een zucht wordt dan het aantal resterende minuten omgeroepen. 

‘Zeventien.’

‘Dertien.’

‘Negen.’

‘Vijf.’

Het vliegtuig schokt hoe langer hoe meer.

‘Drie.’

In de cabine weerklinkt door de luidsprekers plots geruis, maar niemand besteed er al te veel aandacht aan.

‘Twee.’

De sfeer wordt grimmiger. Er komt geluid uit de speakers.

‘Één.’

Enkele mensen huilen, iedereen is geschokt, enkelen zijn aan het bidden. Door de luidsprekers klinkt nog steeds geruis – en plots komt er perfect geluid door:

‘Beste…’

Door de cabine gaat een golf van ongeloof en gefluister.

‘Beste,’ klinkt opnieuw.

‘Welkom bij verborgen camera. U bevindt zich in een vluchtsimulator.’

CZ