Merel

Nog tamelijk brak van een alouds avondje stappen verspreid over mijn drie favoriete kroegen, besluit ik over te gaan tot de aanschaf van een blikje cola, het ideale katerwater, ijskoude tomatensap met wodka daargelaten, want ik ben op weg naar mijn werk. Ik knip mijn fiets op slot en treed de goedkope supermarkt binnen. Zo’n Spar met een grote koeling; caissières die ook de vakken vullen en een te laag budget voor muzak. Ideaal. Hop, blikje Cola pakken en gaan. Ik kom aan bij de kassa, nonchalant met het kleingeld in mijn jaszak rinkelend (zoals het hoort), waar mij de weg wordt versperd door een oud, klein, maar bol, kromgebogen vrouwtje, zeer dicht bij de dood zo lijkt me. Ze begint met trillende handen langzaam en onzeker de boodschappen op de band te leggen, die prompt begint te lopen. Haar manier van handelen is tegenstrijdig met de zelfverzekerdheid van de keuze van haar producten. Keurig gesorteerd: acht puddingbroodjes; vier verpakkingen van twee.

‘Zo’, zeg ik, ‘dat zijn een hoop puddingbroodjes mevrouw’. ‘Ja, mijn man ligt in het ziekenhuis, en ze zeggen dat hij er ook niet meer uitkomt.’ Ik zwijg, maar ik moet iets zeggen. ‘En gaat u nou al die puddingbroodjes opeten?’ Het vrouwtje knikt zelfverzekerd en vastberaden. Er lijkt haar iets te binnen te schieten.

Op een rare, soort van stralende wijze kijkt ze me vanonder beverige oogleden aan. ‘Wil je weten dat ik nu met de boodschappen duurder uit ben dan toe ‘ie er nog was?’ Ik knik maar eens. Typisch. Acht stuks. Familie die overkomt? Ze zal toch niet … Ik moet het weten.

‘Eet u nu alleen nog maar puddingbroodjes?’ Ja. Ze zijn zo lekker.

En het geeft allemaal toch niet meer. Ik reken het blikje Cola af, en een pakje Marlboro (‘gewone?’ – ‘Ja, gewone graag.’) en wil buiten op de fiets stappen, maar het hoefijzerslotje gaat niet open. Irritant. Door een bescheiden waas voor de ogen weet ik het toch open te wrikken, voel dan een hand op mijn arm. Het vrouwtje zegt sussend dat het niet erg is, ik zeg boos dat ik het wel erg vind, en ze aait mijn arm, die ze nu stevig vast heeft. Ze blijft mijn arm strelen en zegt dat het niet erg is. Ik spreek opeens.

‘Zal ik u even helpen?’ Ze vraagt waarmee ik haar moet helpen. Tsja. Goeie. Behalve puddingbroodjes heeft ze ook een blikje kattenvoer gekocht. ‘Met de boodschappen,’ zeg ik dapper, en vastberaden. We gaan op pad. Ik bied aan om haar rollator te dragen. ‘Maar hoe moet ik dan lopen lieve schat?’ Ik bied aan om haar te dragen. Dan volgt er een schrikmoment als ze van de lach in een hoestbui schiet die in de gehele Staatsliedenbuurt te horen moet zijn geweest. Ze herstelt zich en spuugt een fikse fluim uit die zich verenigt met een plas op het fietspad. ‘God, humor hoor, dat had mijn man ook een beetje.’ Had. Hm. Ik laat de humor voor wat het is en neem de sleutel aan die bij haar voordeur hoort. ‘Maak maar open, ik doe het al een tijdje maar het gaat altijd al zo lastig.’ Met verbazing sta ik in een halletje van 1 vierkante meter en staar naar een trap: rechtstreeks ontworpen door Tim Burton. No shit; stairway to heaven. Loodrecht omhoog. ‘Ga maar vast,’ zegt het vrouwtje, ‘ik doe hier altijd even over.’ Dat geloof ik graag, en hijs mezelf naar boven.

Ik open de deur. Het is koud in een bejaard appartementje in Amsterdam-west. Alles erop en eraan. Bruine vitrage, die sluiert over heel, heel erg lelijk keramiek van engelen; Oostenrijkse deernes en een soort van dwergen (laven?). Er ligt donkerblauw industrieel tapijt, gelardeerd met kattekorrels. Overal liggen kleren, ik ontwaar steunkousen en een beige martel-BH; tussen de verpakkingen van puddingbroodjes. Ik verkondig dat ik wel even de poes eten zal geven. Het vrouwtje ploft neer in een schommelstoel met rechte poten waardoor hij al lang niet meer schommelt. Wel zo handig want het vreetgrage vrouwtje had van het puddingbroodjesdieet zo’n dikke buik gekregen dat vast en zeker het hele huis bij elkaar zou schommelen en dan zou vallen, om vervolgens allerlei botten te breken. Ze had een hele bolle buik. En hele bolle wangen, die een beetje geel waren.‘Je lijkt op mijn kleinzoon, die was ook altijd zo lastig.’ Dan doet ze haar ogen dicht. De geiser in het keukentje sist; de klok tikt, er rijdt een auto langs, twee meisjes praten op de fiets. Wat is de wereld helder zonder dubbel glas. Boven alles uit komt haar ademhaling. Vrede heerst. Ze schiet overeind; alsof ze een mop wil gaan vertellen die haar opeens te binnen komt vallen en die te goed is om voor je te houden, ze kijkt me aan, en glimlacht voor de laatste keer. ‘Altijd tijdens de feestdagen.’ ‘Het is niet erg.’

Het ademen stopt. Mijn hart ruist. De geluiden van buiten zijn luider, want hier is het stil geworden. Tijd voor actie. Ik loop naar beneden en zie dat ze mevrouw ‘t Hart heet. Ik bel 112 en zeg dat mevrouw ‘t Hart overleden is, en dat ik naar mijn werk moet, en geen tijd heb om alles af te handelen. Dat kan niet, ik moet blijven in verband met sporenonderzoek. Adres doorgeven. Ik beloof me beschikbaar te houden voor een formeel onderzoek en geef mijn adres en telefoonnummer, ook van mijn werk. Ik beloof om de deur op een kier te laten als ik wegga. ‘Het kan namelijk wel even duren.’ Merkwaardig.

Waarom is niet duidelijk, maar nog even wil ik naar de vrouw kijken. Ik ga tegenover haar zitten, in een versleten Chesterfield stoel. Plotseling springt vanuit het niets een mager katje op schoot. Ze spint niet maar gaat zitten turen naar haar baasje. Dan kijkt ze achterom. In de keukenla tref ik haar poezenpaspoort aan. Ze heet Merel, is nog maar vijf, en heeft alle inentingen gehad. Merel, rare naam voor een kat. Een kat. Als ik zo’n beest in huis haal wil ook een echte, die ik iets van de Griekse mythologie kan bijbrengen en die samen met me naar de Tour de France kijkt. Niet eentje, die na een jaar al stuk gaat. Merel is zo’n beest, laat zij mij met haar ogen weten. Ik heb haar meegenomen, in een verhuisdoos, waar ze voorzichtig instapte, een paar keer in draaide, omhoog keek en toen ging liggen. Het was allang goed.

 HR | SR