Hij is groter geworden dan ik

Ik begin harder te fietsen en voel de wind op mijn huid en door mijn haar gaan. Het geluid van de auto’s klinkt steeds zachter. Wanneer ik door deze kleine straat rij, heb ik het gevoel dat de kleur van de hemel verandert. Ook de lucht smaakt anders. Het is alsof ik in een andere wereld ben.

Deze straat ken ik heel goed, het is de straat waarin ik ben opgegroeid. Nu wonen hier vooral oude mensen. Als ik hen zie, ga ik langzamer fietsen, om het feit dat ik nog zo jong en sterk ben niet te benadrukken.

De meeste huizen die hier staan ademen nog de sfeer van mijn jeugd. Ze hebben grote tuinen omgrensd door lage muren. De grote ramen van de huizen hebben witte gordijnen in een staart bij elkaar gebonden met een lint van kant, als de lange haren van een meisje.

Tijdens dit uur ruik je de kruiden en het garen van rijst. De geur van mijn kindertijd. Wanneer ik in deze straat fiets heb ik het gevoel dat ik met elke trap een paar jaar terug in de tijd ga en de wereld alsmaar kleiner wordt.

Ik zie hem.

Het gevoel van herkenning is als bij het weerzien van mijn eerste lerares van de kleuterschool. Staand tussen de lemen muren kijkt hij trots naar mij. Ik stop vlak bij de muur en laat mijn fiets ertegenaan leunen.

Ik verplaats de schouderband van mijn tas zodat deze op mijn buik komt te liggen en trek de veldfles uit mijn tas. Om er zeker van te zijn dat de fiets stevig staat en niet zal vallen, duw ik er een paar keer tegen. In een hand heb ik mijn veldfles en met de andere houd ik het zadel van mijn fiets vast. Ik ga op mijn zadel staan en leg mijn kin op de muur, die nu een beetje lager is dan ik. Dan zie ik hem in zijn volle glorie, hij straalt.

De bittere geur van de onrijpe walnoot kriebelt in mijn neus. Deze walnoot was de favoriete boom van alle kinderen uit de buurt. Mijn vrienden en ik dachten dat hij de beste, groenste, grootste en mooiste boom van de wereld was. We waren altijd nieuwsgierig hoe de noot van de beste boom zou smaken.

De boom stond in de tuin van ‘Daye’. Daye was een vrouw met lang zwart haar en de naaister van de buurt. Ze woonde alleen en was verliefd op haar boom. Zij zorgde voor haar boom zoals ze dat voor ons deed.

Ze was boos op ons omdat we stenen naar de boom gooiden of op de muur gingen staan. Toen beloofde zij dat ze ons elk jaar een paar handjes walnoten zal geven. We wachtten elk jaar op de walnoten die zij pakte en voor de deur legde.

Daye had een schommel aan de boom gehangen. Van Daye mochten we net zolang schommelen totdat de boom begon te klagen en schreeuwen.

We hadden nooit begrepen wat zij bedoelde met het zeuren of schreeuwen van de boom en ook nooit iets gehoord. Maar soms als we aan het spelen en schommelen waren, schreeuwde Daye dat de boom aan het klagen was en moe geworden was.

Wanneer Daye dit zei dan moesten we snel stoppen en naar huis gaan. Als we dat niet direct deden, kwam zij naar de tuin en joeg ons bij de boom weg. Soms wanneer ik aan het schommelen was, keek ik naar Daye. Tussen de halfgeopende gordijnen door kon ik haar achter de naaimachine zien zitten terwijl ze naar ons keek. Achter de grote ramen die uitkeken op de boom, kon ik haar waakzaam naar haar boom zien kijken.

Na het spelen liep ze altijd even naar de boom en aaide hem als ware het een paard, zong zij ook voor hem en pratte tegen hem. Daye was meestal stil maar tegen haar boom had ze veel te vertellen. Ooit hoorde ik haar zeggen dat mensen niet goed luisteren en haar niet begrijpen. Dat mensen van de boom moeten leren om te luisteren, om geduld te hebben. Dat als mensen niet langer in ze grond zouden blijven totdat seizoenen voorbijgaan, zouden ze niets van de vruchten van hun leven begrijpen. 

Terwijl ik mijn evenwicht probeer te bewaren, doe ik de veldfles open en steek deze over de muur. Ik gooi wat water op de grond. De bodem omarmt de wortel van de boom en houdt deze vast als een waardevol bezit. Ik volg iedere drup met mijn ogen om mijzelf ervan te verzekeren dat ik mijn plicht goed doe. Ik weet dat de boom van Daye in de lange droge zomerdagen water nodig heeft. De laatste druppels spetteren tegen de bast van de boom.

Ik kijk naar de tuin. Er zit een laag witte stof op de bakstenen rond de ramen. Ik hoor het rumoer van mijn kindertijd, van mijn vrienden, van Daye. Maar het geluid van de boom is nog niet te horen. Dat was het nooit. Op de dag dat Daye overleden was zat ik urenlang tevergeefs met mijn oor tegen de bast van de boom om zijn schreeuw of gehuil te kunnen horen.

Ik kijk naar de grote ramen die dicht zitten, zonder gordijnen. Ik maak mijn hand van de muur los en zit weer op mijn fiets. Ik trap hard door en wil er niet bij stilstaan hoe lang dit huis, de tuin en de boom hier nog zullen blijven staan.

CZ | EN | SR