De beloning

Ik had niemand nodig om mij te troosten. Remspoor had geen hulp nodig, Konijntje kon perfect voor zichzelf zorgen. Uit het niets kwamen krijsende stemmen die mij uitlachten: hoe zwak, hoe slap, hoe breekbaar, hoe teer en gevoelig. Ik wilde dat ze ophielden met een wild feestje in mijn hoofd bouwen. Ik schreeuwde, jankte, mijn zoute tranen beten in de pijnlijke wonden die ik cadeau kreeg van Emre. Elke druppel drong onder mijn huid. 

Terwijl ik over de grond kronkelde, verscheen er een donkere, allesoverschaduwende wolk die niet alleen het zonlicht tegenhield, hij maakte ook een einde aan het akelige feestje in mijn hoofd. De wolk een reusachtig boos oog dat mij dwong om me te vermannen. Ik krabbelde recht, maar een harde wind sloeg me weer tegen de grond. Verschillende bliksems sprongen van wolk naar wolk om dan te verdwijnen in het immense oog. Harde donderslagen deden zo’n pijn aan mijn oren dat ik in een soort trance raakte. Ik hoorde eerst een pieptoon, daarna liet een rustgevend geruis me alles vergeten. Gaf God mij een teken? Zou hij misschien humeurig zijn? Stortregen spoelde vuil en tranen weg. Wilde God mij troosten? Natuurlijk, ik ben speciaal. God heeft een plan met mij. Ik spreidde mijn armen en liet het hemelwater op me vallen, het geluk lachte me eindelijk toe, heel even maar, de geniepige regendruppels sijpelden als kleine duiveltjes in mijn oren. Hun akelige stemmen maakten me gek.

Mama! Alleen zij begreep mij. Alleen zij kon me beschermen. Ik wilde naast haar liggen om tranen te delen.

‘Mama, ik kom eraan!’

Als een druipnat, lief konijntje huppelde ik naar huis.


Ik wachtte op een teken van God, maar hij nam blijkbaar zijn tijd. Drie maanden lang sloot ik me op met mijn je-weet-wel als enige troost, het onafgebroken gejammer van mama op de achtergrond. Ze bekommerde zich niet om mij. Waar haalde ze zo veel verdriet vandaan? Ik droomde nog steeds over de Reusachtige Verpleegster, hoopte stiekem dat ze tot inkeer zou komen. Ook al zag ik Emre vaak met een groene selder vertrekken om daarna terug te keren met een exemplaar van haar reusachtige ondergoed als cape. De kwelgeesten lachten, ze vonden mij een zielige loser die niet eens op een fatsoenlijke manier wraak op Emre kon nemen. Alleen suiker kon hun de mond snoeren.

Leyla was mijn houvast en toch behandelde ik haar als een slaaf. Elke dag bracht ze me een bord spaghetti met tomatensaus. Ze haalde suikerklontjes, poetste mijn kamer grondig, waste de vieze handdoeken met de hand omdat ze niet wist hoe de wasmachine werkte. 

Elke dag klopte ze braaf aan, wachtte op mijn ja zette een verse kom spaghetti met tomatensaus op het bed. Tot ik de spaghetti en haar aanwezigheid moe was. Ik nam een hap, spuwde het uit.

‘Bah. Wat een troep.’

‘Het heeft iets te lang gekookt, maar verspillen van eten is zonde’, zei Leyla.

‘Waarom heb je de spaghetti zo lang gekookt? Het is het enige wat je moet doen, het enige wat je moet weten, en je verprutst het nog.’

Ze schrok van mijn diepe woede. ‘Ik heb mama daarnet gewassen. Je zou misschien ook een bad mogen nemen of het raam openzetten. Ik was van plan om die dekens van jou te wassen, maar die bleken zo smerig te zijn dat ik ze uiteindelijk in brand moeten steken.’

‘Je hebt wat gedaan?’

‘Er kropen allerlei vreemde beesten over, beesten die ik zelfs nog nooit op tv heb gezien. Ik heb ervoor gezorgd dat we geen infecties krijgen door al die rotzooi van je, en het enige wat jij doet is zeuren.’

‘ Nog een grote mond ook. Neem die spaghetti weer mee en maak iets fatsoenlijks klaar.’

Ze liet zich niet zomaar wegsturen. ‘Ik heb je al die geholpen omdat ik dacht de je rouwde om papa’s dood. Je bent gewoon een egoïst. De man in huis? Je doet al maanden niets. Wist je dat Billy elke dag afwast? Wist je dat hij degene is die stofzuigt? Hij dweilt ook en dat doet hij op zijn knieën. Als ik zie hoe hij de dweil uitwringt boven de emmer, met druppels zweet op zijn voorhoofd, dan ben ik heel trots. Billy is een echte man, niet zo’n ouderwetse niksnut als jij. Wist je dat niemand de vloer kan laten blinken zoals Billy dat doet? Zelfs mama niet. Terwijl jij…’

Een mep met de palm van mijn hand.

‘Aaaaaaaaaaaah, jij stinkbeest!’ schreeuwde Leyla.

Ik hield mijn hand voor mijn je-weet-wel, zodat ze niet in mijn kruis kon schoppen. Ze keek me alleen woedend aan, keerde me daarna de rug toe. 

‘Je broer heet Bilal en niet Billy. Zie dat mijn spaghetti over een kwartiertje klaar is of maak anders lasagne, met heel veel lagen!’

 

Ik gaf Leyla de kans om haar fouten te herstellen. Het duurde langer dan verwacht en mijn geduld raakte op. Hier zullen ze de man in huis gehoorzamen!

Ik gedroeg me als een echte vader, pakte mijn broeksriem en slofte de keuken in. Leyla leek nergens te bespeuren. 

Bilal zat weggezakt op de bank wezenloos te gapen naar de televisie.

Ik deed het ding uit, hij reageerde niet.

Ik trakteerde hem op een stevige tik met mijn broeksriem. ‘Waarom moet de tv aan als je toch niet kijkt? Weet je hoeveel elektriciteit kost?

‘Tweehonderddertien euro per maand. Er liggen drie brieven van de deurwaarder voor de man in huis’

De riem ging over hem heen. Bilal stotterde als een kalf, ik gaf hem nog een extra slag, nu riep hij als een klein meisje.

‘Ga je als je zus beginnen? Waar is die teef of ben jij hier de teef?’

Bilal keek me niet-begrijpend aan.

‘Hoe heet je?’

‘Billy?’

Ik liet de riem knallen.

‘Wat is je naam?’

‘Bilal.’

‘Goed zo. Kun je spaghetti maken?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Jij?’

De brutaliteit achter dat ene woordje maakte me hels. Ik wilde nog eens flink uithalen met mijn riem, toen ik mama mijn naam hoorde roepen. Ik rende meteen haar slaapkamer in.

‘Ja, mama.’

‘Konijntje, ik hoor alles.’

Hoe kon ze dat als ze zelf zo hard jankte?

‘Wat heb je gehoord, mama?’

‘Je zus en mijn Billy. En hoe je tegen hen tekeerging.’

‘O, dat’

‘Zodra mijn verdriet over is, reken ik met je af. Zelfs een zacht konijntje komt niet aan mijn kinderen.’

Een koude rilling liep over mijn lichaam. Ik herinnerde me haar vaardigheid met het aardappelmesje en hoe ze mijn vader aanpakte. Ik hoopte stilletjes dat haar verdriet langer zou duren en wilde er niet meer aan denken. Was ik te hard geweest voor Leyla? Ze was pas tien, aan de andere kant… Door rumoer op straat dwaalde mijn blik naar buiten. In de verte zag ik joelende kinderen. Zouden ze op schoolreis zijn? Hun juffrouw leek me erg groot. Plots zag ik het: het was de Reusachtige Verpleegster. Met in haar kielzog Emre en zeven kinderen die allemaal een kop groter waren dan mijn buurjongen.

Ik opende de voordeur, wist niet wat te zeggen.

‘Dag, Marokkaantje, fijn je te zien. We hebben goed nieuws, we gaan trouwen. Mijn Emre laat er geen gras over groeien. Marokkaantje is toch uitgenodigd?’

‘Alleen als hij komt met een duur geschenk of een enveloppe vol geld’, reageerde Emre.

Ik sloeg de deur dicht, ademde een paar keer diep in om de Reusachtige Verpleegster uit mijn hoofd te krijgen. Weg met die onbetrouwbare vrouw. Familie, daar had je wat aan. Leyla moest ik vinden, haar troosten, zeggen dat ze ook een lief, schattig konijntje is. 

Bij de buren brak de hel los. Emres vader ontplofte, daarna explodeerde zijn moeder. 

Ik gluurde door het raam, zag hoe Emre zijn moeders voeten kuste. De schijnheiligaard huilde tranen met tuiten.

‘Alsjeblief, ze is een goed mens. Ik maak echt geen fout. Ze wil zelfs moslima worden. Haar kinderen staan te trappelen om zich te bekeren.’

‘Ja, we krijgen dan een ijsje!’ riepen de kinderen in koor.

Emres vader sleurde zijn zoon mee naar binnen. De voordeur werd voor de neus van de Reusachtige Verpleegster dichtgeslagen. Ze stond daar met zeven geitjes die aan haar gigantische rok trokken. De Reusachtige Verpleegster werd een reusachtige totempaal. Mijn onweerstaanbare aantrekkingskracht deed haar mijn richting op draaien. We keken elkaar recht in de ogen. Een verleidelijke glimlach. Een moment van twijfel. Ik greep automatisch naar mijn je-weet-wel en stak toen beide middenvingers uit. Goed geprobeerd, stomme trut. Je kans is verkeken. Ik speel je spel niet meer mee. 

Dag in, dag uit, elk uur, elke seconde met haar was vervuld van liefde. Mijn leven was een oosters gedicht, tot ik ineens niets had om van te houden. Ik aanschouwde leegte en duisternis, met als enig vasthoud het razende bloed van mijn vader. Dat ik haar negeerde was haar straf. Ze wandelde met zeven kinderen in haar kielzog terug in het licht van de ondergaande zon. We waren niet voor elkaar bestemd, God had andere plannen met ons. De Reusachtige Verpleegster, wat een vrouw, niet alleen bloedmooi, maar voor vele mannen te zwaar om te dragen.

 

Ik ging naast Bilal zitten, legde mijn arm over zijn schouders.

‘Heb je Leyla al gevonden?’ vroeg hij.

‘Nog niet, maak ik maak me niet druk. Rust zal het goeddoen. Door papa’s dood zat ze slecht in haar vel, maar ik maak mij echt geen zorgen. Leyla is erg slim, ze is onze zus. Ze komt. Anders zal mama er ons allebei van langs geven.’

‘Ik heb haar niet geslagen!’ schreeuwde Bilal. 

‘Jij bent ook niet opgekomen voor je zus. En je weet dat mama dat veel erger vindt.’

Bij de buren was het angstaanjagend stil. Ik hoorde hun voordeur open- en dichtgaan. Er werd bij ons aangebeld. Het was Emres vader. Hij pakte me stevig vast om niet in elkaar te zakken.

‘Ik weet dat jij je beste vriend zult missen, maar we nemen voorgoed afscheid. Het moet, ok al valt het ons zwaar. Mijn grootste nachtmerrie is uitgekomen. Emre wilde met een bejaarde potvis trouwen. Kun je dat geloven? Van al de verse vis kiest hij een afgeleefde potvis met vijf kinderen en twee kleinkinderen. Een grootmoeder? Een oma? Een moemoe als schoondochter? Over mijn lijk. We rijden deze week naar mijn geboortedorp in Turkije en keren nooit meer terug. Daar kan Emre met een jon, braaf, ongeschonden, mooi meisje trouwen. Als dat hem niet zint, kan hij nog altijd een geit kiezen. Liever dat dan een potvis.’

God stond werkelijk aan mijn kant. Ik hoefde zelf geen wraak te nemen. Emre liep zijn eigen ondergang tegemoet. Nooit geweten dat leedvermaak zo goed voelde. Als dit geluk blijft duren, vinden we morgen mijn mooie, lieve zus en zal ik haar zeggen dat te lang gekookte spaghetti best te eten is. Misschien moet ze eens tajine proberen of frieten bakken. We kunnen zelfs met z’n allen uit eten naar de frituur. Ik wandelde naar mama’s slaapkamer, kuste haar wang, vroeg of het al wat beter ging. Ze glimlachte geforceerd. Mama was mijn slechte gedrag niet vergeten. Toch ging ik naast haar liggen.

‘Niet huilen mama. Papa mist je ook. Papa wil dat je weer de oude wordt. Wie moet er anders voor ons zorgen? Ik kan het niet, je weet dat ik maar een konijntje ben in een wereld van wolven.’

 

Het was donker toen de bel ging. Ik vloekte in mezelf, stond op, slenterde half in slaap naar beneden. Bilal had al opengedaan. Ik wreef de slaap uit mijn ogen. Twee politieagenten en een vrouw met een paddenstoelkapsel en gemene groene ogen. Ze had Leyla bij de hand. Ik zette mijn breedste glimlach op, Leyla stak haar tong uit. 

‘Ik ben van de kinderbescherming. Heb jij je zus een mep verkocht?’

‘Jazeker’, antwoordde ik, met moeite een geeuw onderdrukkend. 

‘Waarom?’ 

‘Omdat degene die hier de broek draagt soms orde op zaken moet stellen.’

Met lange vingers noteerde de vrouw iets.

‘En je heet?’

‘Mijn naam is Zakaria, maar ze noemen mij ook Remspoor of Abu Batman, Wacko Jacko of Konijntje mag ook, tot uw dienst.’

Ik irriteerde haar, daarom negeerde ze mij.

‘Wat is uw naam, mevrouw?’

Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden. Ze had een fijn, vogelachtig gezicht met valse lippen. Met haar geslepen blik leek ze schichtig in het rond. Bilal kwam er ook bij, hij voelde zich niet op zijn gemak bij de agenten.

‘Mevrouw Janssens van de kinderbescherming’, zeiden de valse lippen. ‘Moeten jullie niet iets aan die piepende deuren doen? Wat een akelig geluid.’

‘Dat is mama, ze huilt om papa. Hij is onlang gestorven. Aan dat lawaai raak je wel gewend, lieve vrouw.’

Ik gaf haar mijn meest verleidelijke glimlach. Mevrouw Janssens keek me verwijtend aan, schudde haar vogelkop, daarna gaf ze een teken aan de politieagenten. Mij werd niets meer gevraagd. Blijkbaar wisten ze genoeg. 

Onze uitgeputte mama staken ze in een dwangbuis, ze duwden haar een andere wagen in. 

Leyla en Bilal huilden. Ik had mevrouw Janssens kunnen slaan. Omdat ik had geleerd dat goede manieren spanningen konden laten afnemen, deed ik het niet. Dat heet respect. Als man in huis straf je je broer of zus zo hard mogelijk, maar iemand met een belangrijke functie laat je met rust.

EN | HR