Begrafenisbarbie

Of Barbie een hippe, oudere zus of moeder is, is onduidelijk. Want Barbie kan alles zijn: stewardess, astronaut, president, bruid. Er bestaan Barbie’s in een rolstoel en Barbie’s op rolschaatsen. Bruidsbarbie is een everseller. Het enige wat Barbie niet heeft is een rouwkostuum. Ze kan elke vrouw zijn, maar niet naar een begrafenis. Toen ik het huis verliet in een zwarte, kanten jurk zei mama: ‘Het is geen modeshow.’
In de aula droeg bijna niemand zwart. Te laat bedacht ik dat ik de open kist niet wilde zien maar daar lag Rico, in een zee van rozen met berijpte blaadjes. Het koelelement loeide, zijn moeder op de eerste rij huilde geluidloos. Uit zijn neus druppelde het blauw van een gebroken ader, zijn lippen waren blauw en de streep rond zijn nek ook. Van de halve wereldbevolking is de lievelingskleur blauw. In het midden van de aula, tussen Isadee en Louis, was een klapstoel vrij.  Ondanks de zomervakantie was het zo vol dat mensen achterin moesten staan.
‘Zijn ouders hebben gewacht met begraven totdat bepaalde mensen terug waren van vakantie,’ fluisterde Isadee. ‘Hij is eigenlijk te lang gekoeld.’
Zijn ouders hadden niets voorbereid omdat hij vijftien was en gelukkig had geleken. Wie iets wilde zeggen of zingen werd uitgenodigd om naar voren te komen. Een man wiens krullen ondanks de airco tegen zijn hoofd plakten, beklom het podium. Zijn overhemdknoopje open op standje onbetrouwbaar.
‘Ik heb in de loop der jaren veel contact gehad met Rico Vermeer. Als zijn dermatoloog zocht ik samen met hem naar oplossingen voor zijn acne en de laatste maanden hebben we juiste balans gevonden tussen medicatie en dieet.’
‘Dat klopt,’ zuchtte Isadee naast me, ‘zijn pukkels werden net iets minder.’
‘Samen met jullie wil ik graag luisteren naar een nummer dat mij veel troost geeft als ik bedenk hoe oneerlijk het is. De tekst ligt onder jullie stoelen.’
Er zat een schoenafdruk op het papier onder mijn stoel. Het gebrandschilderde glas van het dak wierp Mondriaan-vierkanten op het podium en de dermatoloog spreidde zijn armen, hij wilde ons allemaal omhelzen. Laura Pausini zong met haar keurige stem ‘La Solitudine,’ maar ik hoorde de versie van Paul de Leeuw er door heen. 

‘Ik wil niet dat je liegt. Ik wil niet dat je me bedriegt. Ik hoor de twijfel in je stem, je houdt van mij maar ook van hem. Ik wil nu dat je eindelijk kiest, ik wil nu weten wie verliest, en wie je kiest ik leg me neer, ik wil alleen geen leugens meer.’

Het leek me een lied om je scheiding mee te verwerken. Op het podium had de dermatoloog zijn armen om zichzelf heen geslagen.
Ik luisterde naar Laura en dacht aan Louis naast me. Ik had mijn hand voor hem in een steekvlam willen houden, tegelijkertijd wist ik dat dit alles op een dag niet meer echt zou zijn. Dan voelde veertien net zo lang geleden als vijf of tien, allemaal verleden, net als mijn basisschooltijd die zo belangrijk had geleken en achteraf zo weinig voorstelde. Ik kon niet stoppen met huilen en zocht Isadee’s vingers. Op een maandag in de brugklas kwam Rico aan de deur en hij mocht doorlopen, ik lag ziek in bed en kroop weg onder het dekbed, bang dat ik stonk. Hij reed de bureaustoel tot naast mijn hoofdkussen, ik keek precies in de pijp van zijn korte broek. Beenhaar, een rode boxershort, ik probeerde zijn piemel te zien. Hij praatte over Harry Potter.
‘Wat heb je voor ziekte?’ vroeg hij uiteindelijk.
‘Ik ben elk jaar een week ziek,’ zei ik. ‘Die week is nu.’
‘Kun je eigenlijk wel spijbelen als je vader huisarts is?’
‘Hij heeft me ziekgemeld, dus. Hij vindt het fijn om te weten waar ik ben.’
‘Ik ben nooit ziek,’ zei Rico. De punt van zijn neus lag open van het krabben. Een vulkaanlandschap van rode en zwarte puistenkorsten sierden zijn wangen. Niet blauw. Zittend aan mijn bed vroeg hij of ik wel eens gewoon geen zin had om naar school te gaan.
‘Als je nu al geen zin kunt maken in school, hoe moet het dan later met je gezin en je baan?’
‘Kun jij dat goed, zin maken?’ vroeg hij.
‘Ik weet niet wat ik anders zou moeten doen.’
‘Zou jij callgirl kunnen zijn?’ vroeg hij en bloosde tussen zijn puisten. ‘Ik bedoel, die zeggen altijd dat ze zo’n zin in je hebben, ’s nachts op televisie. Heb jij wel eens zin in iemand?’
‘Ik ben ziek,’ zei ik, ‘ik moet slapen.’ En toen hij bleef zitten: ‘Ik heb hier geen zin in.’
Ik dook met mijn hoofd onder de dekens en wachtte tot ik hem hoorde opstaan. Na zijn ziekenbezoek stond er een roos in mijn pennenbak op het bureau.

Bij Louis thuis was het stil. De begrafenis was ook stil geweest, al praatte iedereen zachtjes door elkaar. Ze zeiden gecondoleerd maar bedoelden ‘kut’ of schreeuwden geluidloos, doorlopend. De moeder van Rico had me het slapste handje ooit gegeven.
‘Ruimte voor kwetsbaarheid,’ had ik mama aan de telefoon horen zeggen tegen een vrouw uit haar postkankerpraatgroep. Ze was nog boos vanwege de kanker en deelde dit met vreemden. De moeder van Rico was niet kwetsbaar, maar een open wond. Het voorgeprogrammeerde condoleren leek haar uit te putten en houvast te geven, want nu Rico dood was kon immers alles gebeuren. Het was niet eens mijn kind en ik had al dat losvaste gevoel. Rico is blauw, de zon komt niet op, prima. De dood kon ik nergens mee rijmen, behalve met de dood zelf.
‘Gaat het?’ vroeg Louis weer. We lagen op zijn bed.
‘Nee,’ zei ik.
Hij kleedde me uit, de zwarte kante jurk gleed over mijn hoofd, Begrafenisbarbie werd geslachtloos. Hij kuste me tussen mijn benen en ik keek uit het raam. De overbuurman keek een pornofilm op zijn flatscreen. Een meisje bracht een roze dildo in bij een kleiner meisje. Louis likte en kuste tussen mijn lippen. ‘Word nat,’ dacht ik en het wonder geschiedde. Eén voor één gingen de schakelborden uit, lampjes stopten met knipperen, ik rook zijn geur, hapte in zijn schouder, hij stootte in me, ik voelde de rand van zijn piemel en zijn vingers in mijn kont, de meisjes op de flatscreen gilden geluidloos.
‘Hoi,’ zei hij en ademde in mijn gezicht. Watervallen vallen omhoog, panty’s ontrafelen, blauwe gezichten, de zon schijnt opzij, moeders kruipen terug in hun kinderen, de kleur blauw is een kutkleur, Louis, O, de ogen van Rico’s moeder, zwart alsof iemand ogen op de rolluiken had geschilderd, zijn adem friszuur mijn vagina nat alles kon en alles kwam, ik huilde, sssst, ssst, stil maar stil maar stil.

Stilte. Bijna nooit.

Altijd kleuren en beweging en mensen en woorden. Altijd nadenken, voelen en registreren, interpreteren. Ik ben geen robot. Alles gebeurt tegelijkertijd, nee, tijd voorkomt dat alles tegelijkertijd gebeurt. Ik ben bang.
Louis fluisterde: ‘Gaat het?’ maar het had ook Rico kunnen zijn. Tussen jongens maak ik geen onderscheid.

Dit verhaal is een fragment uit de roman Het aanbidden van Louis Claus, die in februari 2021 bij De Bezige Bij verschijnt.

DE | EN